1892




út de Friso fan woansdei 5 oktober 1892:

  LEEUWARDEN. In de zitting der Recht-
bank, bestemd tot behandeling van strafzaken
en gepresideerd door den heer mr. A. Wichers
Hoeth, heeft F.B., oud 40 jaren, werkman
in het Heidenschap onder Workum, terecht-
gestaan terzake dat hij den 28 Juli l.l. voor
het kantongerecht te Bolsward in een civiel
geding een valschen eed heeft afgelegd.

  Beklaagde heeft van 12 Mei 1891 tot 12
Mei 1892 gewoond in eene herberg, staande
in het Heidenschap en toebehoordende aan den
koopman T. de Vreeze te Workum. Deze
had eerst, in Februari 1891, die Herberg ver-
huurd aan K. v.d. Veen voor f 100; maar
toen diens vrouw de woning bezag bleek ze
te klein te wezen voor haar gezin, waarom
v.d. Veen aan de Vreeze meedeelde dat hij
er wel weer af wilde. Toen de Vreeze hierin
geen genoegen nam, vroeg v.d. Veen of hij
de herberg dan niet weer kon verhuren.
Hierop gaf de Vreeze te kennen dat hij dan
wel raad wist, daar F.B. de herberg wel
wilde huren, dien hij er eigenlijk nog liever
in had omdat zijn gezin kleiner was. Zij kwa-
men toen overeen, de herberg aan dezen voor
wat lager bedrag te verhuren en samen de
schade te dragen. De Vreeze gaat nu naar
beklaagde, die bij zijn zwager was en vroeg
f  75 huur, maar beklaagde bood f 70; toen
ze het hierover eens waren, maakten ze mon-
deling accoord dat beklaagde den 12 Mei 1891
bij het betrekken der herberg de huur vooruit
zou betalen; daar was niemand bij tegenwoor-
dig en er is geen schriftelijk huurcontract op-
gemaakt.

  Bij het betrekken der herberg heeft beklaag-
de evenwel de huur niet vooruit betaald, waar-
om de Vreeze er herhaaldelijk om stuurde tot
hij in de hooiing er zelf heen ging. De vrouw
zei dat hij bij zijn zwager, bij wien hij in 't
werk is, was en toen de Vreeze daar kwam, heeft
beklaagde aan zijnen zwager f 40 te leen ge-
vraagd wat deze gaf, en waarvoor de Vreeze
hem eene kwitantie gaf dat hij van dezen ten
behoeve van beklaagde f 40 ontvangen heeft
in mindering van f 70 huur.

  Toen de overige f 30 vervolgens niet wer-
den betaald, heeft de Vreeze aan den deurwaarder
S. Halbertsma Reinbach opgedragen om dat
geld te innen. Als deze bij beklaagde kwam,
zei hij te willen betalen zoodra de Vreeze de
vertimmering gedaan had die zou wezen en
Reinbach kreeg volstrekt niet den indruk dat
beklaagde niet kon of niet wilde betalen.
Hiermee nam de Vreeze geen genoegen, maar
Reinbach heeft hem aangeraden, met dagvaar-
den te wachten totdat de huurtijd verstreken
was. Zoo geschiedde; beklaagde het huis met
Mei '92 verlatende en de resteerende f 30 niet
betalende, werd deswege voor het kantonge-
recht te Bolsward gedagvaard, waar hem de
volgende beslissende eed is opgedragen: «ik
«zweer dat ik niet van den eischer over het
«jaar, loopende van 12 Mei 1891 tot 12 Mei
«1892 voor f 70 heb gehuurd de bij dagvaar-
«ding bedoelde woning en herberg in het Hei-
«denschap onder Workum, en uit die oorzaak
«geen f 30 per resto ben verschuldigd.»

  Die eed is door beklaagde ter terechtzitting
van het kantongerecht van 28 Juli afgelegd,
en daarop is eene aanklacht gevolgd wegens
het afleggen van een valschen eed.

  Voor de rechtbank beweerde beklaagde dat
die eed niet valsch was. Hij heeft die herberg
niet voor één jaar maar voor vijf jaren gehuurd,
en omdat zij wat verloopen was, zou hij het
eerste jaar geen huur betalen en de volgende
jaren f 60, f 70 of f 80, al naar mocht blij-
ken wat kon. Hij had wel van zijn zwager
f 40 geleend en deze aan de Vreeze gegeven;
maar dat was omdat deze toen geld noodig
had, waarom hij het voor hem te leen gevraagd
en hem te leen gegeven heeft op rekening der
volgende huurjaren. De bewuste kwitantie
intusschen was weg; zijn zwager had die aan
zijne vrouw gegeven en hij wist daar niets van.

  De Subst. Off. v. Justitie, mr. H.Th. Wes-
tenberg, gaat de verklaring der getuigen na,
om aan te toonen, dat het aan beklaagde ten
laste gelegde bewezen is. De redenering van
beklaagde gaat niet op, omdat de Vreeze reeds
een huurder had en hem dus niet voor niets zou
laten wonen. Spreker wijst op verschillende
aanwijzingen van schuld, o.a. op het betalen
van een gedeelte der huur, en requireert dat
beklaagde wegens meineed zal worden veroor-
deeld tot 2 jaren gevangenisstraf.

  De verdediger, mr. I. Wolff, ontkent niet
dat de schijn tegen beklaagde is; zelfs zoo zeer
dat hij een oogenblik geaarzeld heeft voor hem
als raadsman op te treden, want het is toch
geen gewoonte in ons land, dat de menschen
een anders huis bewonen zonder huur. Maar
toen Pleiter hem alle bezwaren voorhield, bleef
beklaagde pertinent beweren dat hij over 1891/92
geen huur behoefde te betalen. Daarbij ont-
ving hij van notabele ingezetenen van Workum
o.a. van den notaris en een wethouden, een
gunstig getuigenis van hem, niettegenstaande
de zware geschuldiging tegen hem, en nu gaat
Pleiter alle omstandigheden eens nauwkeurig
na om aan te toonen, dat beklaagde in de
meening heeft kunnen verkeeren, dat hij de
herberg zoo gehuurd heeft dat hij over 1891/92
geen huur verschuldigd was. En dan staat
z.i. niet vast, dat beklaagde opzettelijk valsch
gezworen heeft.

  De Rechtbank verklaarde beklaagde even-
wel schuldig en veroordeelde hem tot 1 jaar
gevangenisstraf.

It is frijwol wis, dat it boppesteande ferhaal him yn en om de herberch "Landzicht" op it Julianabuertsje (no B. de Bruin, Heidenskipsterdyk 17) ôfspile hat.
De "beklaagde" F.B. is Frâns Boersma, berne yn it Heidenskip (H.A.N.) en troud mei Hylkje de Jong.
Jelle Dykstra, dy't mei syn frou Jule de Jong op 'e pleats fan Jehannes Oenema (Heidenskipsterdyk 25) wenne. Frâns en Hylkje hawwe letter yn it hûs fan Meindert van den Akker (Heidenskipsterdyk 21) wenne

De herberch, dy't bestie út in wente, herberch en in berch, wie eigendom fan Tsjipke Ulkes de Vreeze, winkelman op 'e Merk 23 yn Warkum (no de fiskwinkel fan Bylsma). Tsjipke hie de herberch earst ferhiere wollen oan Klaas van der Veen, dy't wol njoggen bern hie. Klaas syn frou fûn de wente te lyts en dêrtroch gie it ferhaal net troch. Tsjipke tocht, dat it wol wat foar Frâns Boersma wêze soe. Yn 'e wenkeamer fan Jelle Dykstra's pleats hawwe Tsjipke en Frâns meielkoar praat, mei Jelle en Jule dêr by. Dêrnei hawwe Tsjipke en Frâns yn it bûthûs allinnich fierder praat, sadat nimmen fertelle koe, wat der presys bepraat wie.

In skoftke nei 12 maaie '91 hat Tsjipke by Frâns west om de hier. Frâns krige doe fan Jelle f 40,- fan syn lean yn it foarút. By de Rjochtbank ferklearre Jelle, dat op de kwitânsje stien hat: "Ontvangen uit handen van Jelle Dijkstra ter verzoek van Frans Boersma veertig gulden in mindering van huur." Wylst Frâns folhold, dat Tsjipke gauris jildpine hie en him frege hie oft Jelle, mei him as tuskenpersoan, Tsjipke f 700 liene woe en letter nochris, mar doe f 400. Frâns hie tsjin Tsjipke sein, dat er dat Jelle selts mar freegje moast. Lang om let hie Frâns, neffens eigen sizzen, tajûn en f 40 yn it foarút by Jelle frege en it te lien jûn oan Tsjipke.

Mar der wiene mear, dy't tsjin Frâns syn ferklearring tsjûgen.Lyk as Teake Bouma (arbeider yn de Luts, Heidenskipsterdyk 10. Terwisscha van Scheltinga), dy't sei, dat Frâns oer de hege hier klage hie; de Warkumer kastlein Bouke Walta, dy't sei, dat Frâns yn 'e simmer fan '91 faak sein hie, dat er f 40 betelle hie; en Jotsje Bekema (46 jier, arbeider te Warkum), dy't ferklearre, dat Frâns fan de kwitânsje sein hie: "Dat is een bewijs van niemendal!" Frâns begriep net, hoe't de minsken oan sokke praatsjes kamen. Ek de timmerman Rients Agema en de doarwarder Sipke Halbertsma Reinbach, beide fan Warkum, moasten op it matsje komme.

De rjochtsaak wie op de 17de en de útspraak op de 24ste septimber 1892.

(Parketnr. 285, Nr. van Orde 1216, Ryksargyf Ljouwert)


út de Friso fan woansdei 26 oktober 1892:

            BOEREBOELGOED
  in het Heidenschap onder Nijega
  De Notaris K. Tjebbes te Workum
zal op Maandag 31 October 1892 des
voormiddags 10 uur, ten huize van Ypke
Siemens Boersma, Landbouwer in het
Heidenschap onder Nijega, publiek, bij
boelgoed à contant, verkoopen:
  1. Een gezond BESLAG VEE, bestaan-
de in: 18 melke, kalve en vare koeien,
5 hokkelingen, 8 kalveren, 3 schapen, 9
lammeren en een best werkpaard (merrie).
  2. Ongeveer 55,000 K.G. (22 koe'se-
ten) best gewonnen HOOI, in 7 percee-
len, dat voor 1 Mei 1893 moet zijn ver-
voerd.
  3. BOEREREEUW en GEREED-
SCHAPPEN, hoofdzakelijk bestaande in:
kapwagen, 3 hooiwagens, karn met kope-
ren hoep, kaasketel, enkele Amerikaansche
kaaspers, 34 koperen aden, 8 dito emmers,
houten emmers, melkvaten, tonnen touw-
werk, paardetuig; harken, vorken, grijpen,
schuppen, kret met planken en hetgeen
meer ter verkoop zal worden aangeboden.
  Op de Zathe is geene gelegenheid om
Paarden te stallen, maar wel bij Sjoerd
Vallinga (Zathe de Hel).


              ZATHE EN LANDEN
              in het Heidenschap

  De Notaris K. Tjebbes te Workum
zal op Vrijdagen den 4 en 18 November
1892, telkens des namiddags om 2 uur,
provisioneel in het Hôtel "Ketelaar" en
finaal in het Logement onder het Stad-
huis, beide te Workum, publiek veilen en
verkoopen:
  Een ZATHE en LANDEN met HUI-
ZINGE, SCHUUR, Hieminge, Hovinge
en vruchtbare Weilanden gelegen aan
het Hofmeer in het Heidenschap onder
Nijega, bekend te Kadaster van de ge-
meente Koudum, sectie B, Nommers 130,
131, 132, 133, 134, 135, 136, 137, 139,
129, 87 en 86 en gemeente Workum
sectie D no. 262, te zamen groot 23 H.
71 A. 90 C. of ruim 64½ maal 36¾ are.
  In gebruik bij den eigenaar IJpke Sie-
mens Boersma.
  En zulks in acht perceelen.
  Conditiën te vernemen en verkoopboek-
jes met kaart te bekomen ten kantore van
den Notaris.

De pleats waard troch Mebius Brandsma kocht. Yn 1978 is it ôfbrutsen en ferfongen troch de rekreaasjepleats fan de famylje Veenhuizen. It lân is oergien nei in nije pleats, dêr't Sibe Brandsma (de 4de generaasje) no op buorket.